Autonomer én afhankelijker; Het individu in ons technologisch tijdperk

Boekbespreking

‘Hoe worden individuen autonomer of juist kwetsbaarder van technologie?’ De redacteuren hebben daarmee een interessante en duidelijk leidende vraag gekozen voor dit boek. Het gaat, zo zetten Van den Berg en Ham in de inleiding uiteen, over autonomie en beheersing, controle en sturing, macht en onafhankelijkheid. De auteurs verkennen dit thema aan de hand van verschillende technische domeinen en toepassingen. ICT krijgt relatief veel aandacht in het boek, onder andere in de jeugdzorg, in het illegalenbeleid, in voetbalstadions, bij het managen van wachtende mensen in de openbare ruimte en in de ouderenzorg. Daarnaast komen ook onderwerpen als DNA in het strafrecht, medische technologie tijdens de zwangerschap en mensverbetering aan de orde.

Kaft van In de Greep van Technologie


Recensie verschenen in tijdschrift Sociologie 2010 (6) 3.


Volgens de achterflap in dit boek ‘geen betogen van technofoben of technogoeroes, maar antwoorden op de vraag hoe de immigrant, de verdachte, de voetbalsupporter, de zwangere vrouw, het kind en de oudere nieuwe technologietoepassingen ervaren. En hoe die hun leven veranderen’. Dat wekte bij mij enigszins verkeerde verwachtingen. Slechts hier en daar komt een concrete burger aan hetwoord. Het meest uitgebreid in het hoofdstuk van Tjerk Gualthérie van Weezel,een van de drie journalistieke bijdragen. Hij stelt het relaas van een ‘digitale onderduiker’ centraal, Alex Grendel, die er heel bewust en fanatiek mee bezig isom geen sporen van zichzelf achter te laten op internet en in ICT-systemen (‘In veel digitale documenten blijft bovendien veel extra informatie bewaard. Zoals eerdere versies. (…) Het is een tweede natuur geworden om dergelijke informatie te vernietigen voordat ik hem verstuur.’)

De overige dertien auteurs zijn wetenschappers. Van hen laat Stef Aupers nog het vaakst echte individuen aan het woord. Hij heeft sociologisch onderzoek gedaan onder gamers die actief zijn in een online rollenspel zoals World of Warcraft en citeert hen regelmatig (‘Een held die zijn eigen pad volgt en zijn eigen ding doet – zo heb ik hem ontworpen. En ik speel met het idee dat ik hem ben.’) Maar we horen niet van een zwangere vrouw van vlees en bloed hoe ze de voortdurende controles en metingen van haar zwangerschap beleeft, van een levensechte ouder of hij stigmatisering ervaart als allerlei persoonlijke informatie over gezinsleden wordt vastgelegd in een Elektronisch Kinddossier of hoe frustrerend het voor een concrete immigrant is dat nieuwe technologieën fort Europa steeds beter dichttimmeren. Het boek is namelijk vooral beschouwend, soms zelfs ronduit filosofisch van aard (met name de analyse van Willem Schinkel aan de hand van onder andere Foucault en Deleuze – over de verschuiving van surveillance naar zelfveillance onder invloed van de technologie). ‘Het individu’ vormt een rode draad door de zeventien essayachtige hoofdstukken van het boek, maar blijft vaak redelijk abstract.

Uit de hoofdstukken komt duidelijk naar voren dat technologie vaak dubbelzinnig en complex is wat betreft de impact. DNA deed zijn intrede in het strafrecht om criminelen beter te kunnen opsporen en veroordelen, maar een onvoorzien effect was ook dat het mensen in staat stelde om hun veroordeling opnieuw of beter aan te vechten, regelmatig leidend tot de conclusie dat justitie gefaald heeft en dat de veroordeling onterecht was. De technologie geeft beide partijen in een rechtszaak dus een nieuw machtsmiddel in handen. De virtuele schandpalen voor vunzige en opdringerige mannen op internet zijn een erg gemakkelijk middel tot eigengerechtigheid, wat onrechtvaardig kan uitpakken voor de man in kwestie. Maar het is ook een vorm van empowerment voor veel vrouwen, die zich daardoor weerbaar en veiliger voelen in de openbare ruimte. Dat draagt dan weer aan rechtvaardigheid bij. Meer kwetsbaarheid voor de ene groep dus, in ruil voor minder kwetsbaarheid voor de andere groep. Waar de online rollenspelen aanvankelijk lonkten met de belofte van ongelimiteerde vrijheid om jezelf en je (virtuele) leven vorm te geven, zijn veel spelers er inmiddels achter gekomen dat sociale druk, dwang en discipline ook in de spelwereld niet te vermijden zijn. De gildes, waarin spelers van World of Warcraft bijvoorbeeld samenwerken om verder te kunnen komen in het spel, kennen vaak een strikte arbeidsverdeling en harde eisen aan de tijdsbesteding van de leden.

In het slothoofdstuk werken de redacteuren twee paradoxen uit die gerelateerd zijn aan deze constatering van zowel kwetsbaarder als onafhankelijker. De eerste duiden zij aan als ‘persoonlijker zonder personen’, de tweede als ‘vergrote controle, versnipperde macht’. Technologie, zo concluderen Van den Berg, Prins en Ham, leidt niet simpelweg tot meer of minder onafhankelijkheid, maar eerder tot andere afhankelijkheden, op een andere manier of op een ander niveau.

Doel van het boek, zo wordt duidelijk in zowel de inleiding als de conclusie, is om aan het publieke debat bij te dragen. Er wordt geconstateerd dat veel discussie over nieuwe technologie – zoals gezegd is ICT het meest dominant aanwezig in het boek – over privacy gaat, terwijl ‘de huidige technologieën confronteren met kwesties en dilemma’s die veel breder en dieper gaan’. Het publieke debat, zo stellen de samenstellers, zou juist moeten gaan ‘over hoeveel we onszelf willen laten beheersen’. Maar wat als we dat niet willen? In welke richtingen moeten we oplossingen zoeken? Hiervoor geeft het boek niet zoveel concrete handreikingen. De redacteuren waarschuwen op de laatste pagina ook nog eens tegen de maakbaarheidsgedachte. Het is volgens hen in ieder geval niet mogelijk ‘om onze “oude” vormen van autonomie terug te winnen’, omdat ‘de technologie een eigen ontwikkeling kent’. Een oplossing ligt dus nooit in de technologie zelf, zo straalt het boek uit. ‘U vindt geen uitgebreide uiteenzettingen van hoe de technologie nu precies werkt en welke nieuwe snufjes eraan komen’, beloofden de redacteuren al in de inleiding. De ervaring en impact staan immers centraal.

Dat maakt de journalistieke bijdrage van Jelle van der Meer ook een beetje een vreemde eend in de bijt. Als enige auteur schrijft hij niet over burgers en beleidsmakers, maar over de ontwerpers van nieuwe technologie, bijvoorbeeld van ambient intelligent living en van de colleague radar, waarmee je in één oogopslag kunt zien waar je collega’s zijn, wat ze doen en hoe ze bereikbaar zijn. ‘Moraliseren moet de maatschappij doen’ is de overheersende visie onder die ontwerpers, zo blijkt uit de gesprekken die Van der Meer met ze voert. Zij zien dus niet zoveel maatschappelijke verantwoordelijkheid voor zichzelf weggelegd. De samenstellers nemen dit in hun slothoofdstuk ter kennisgeving aan en zoeken vervolgens naar ‘perspectieven die behulpzaam zijn om nieuwe afspraken, omgangsvormen en regels te smeden’ (i.e. de twee genoemde paradoxen), in reactie op die nieuwe technologieën waarmee we geconfronteerd worden.

Dit is opvallend, aangezien men er in de techniekethiek – onder andere geïnformeerd door de resultaten uit STS-onderzoek – tegenwoordig juist van uitgaat dat de details van onze technische artefacten enorm belangrijk zijn vanuit moreel perspectief. Veel hedendaagse (Nederlandse) techniekethici maken zich daarom sterk voor waardebewust ontwerpen, voor ethische reflectie tijdens en niet pas na het ontwerpen.

Het zou echter niet eerlijk zijn om het dit boek aan te rekenen dat sommige aspecten onderbelicht blijven en bepaalde debatten niet gevoerd worden – iedere focus brengt dat met zich mee. Al met al is het een interessant boek met veel prettig leesbare hoofdstukken die aanzetten tot nadenken.