essaycursus van de Schrijversvakschool Amsterdam" />

Heel blij was ik voor die arme mensen op de Fillipijnen, dat ze nu verlost waren van die dictator en zijn vrouw. Het was 1986 en president Ferdinand Marcos en zijn vrouw Imelda werden tijdens een volksopstand door een woedende menigte verdreven. Het is mijn eerste ‘politieke’ herinnering. Ik was 9 jaar oud en bij ons thuis werd eigenlijk nooit over Den Haag, Washington of het wereldnieuws gesproken. Toch stond iedere avond om 8 uur, als mijn ouders koffie dronken, het journaal aan. En ik las de SamSam, een tijdschrift voor kinderen over ontwikkelingslanden (het bestaat nog steeds – het is nu een tijdschrift over ‘mondiaal burgerschap’). Door de SamSam wist ik iets van de armoede die er bestond in dat soort landen.


Geschreven voor de essaycursus van de Schrijversvakschool Amsterdam


Die armoede stond in schril contrast met de ruim 1200 paar schoenen die voormalig presidentsvrouw Imelda Marcos bleek te bezitten. Schoenen van Gucci, Prada en Dior. Merken waarvan ik destijds nog nooit gehoord had, maar volgens het journaal waren ze erg prijzig. Het was duidelijk – dit was een harteloos soort boze heks, dure schoenen shoppend terwijl mensen om haar heen honger leden. Maar nu zou het goed komen, dacht ik, het sprookje liep gelukkig goed af.

Helaas, zo ontdekte ik een paar jaar daarna, was het helemaal niet zo dat de mensen op de Fillipijnen daarna nog lang en gelukkig leefden. Er heerste nog steeds forse armoede. Hoe ik dat te weten kwam kan ik me niet meer herinneren, en ook de verklaring niet. Wikipedia vermeldt dat de volgende president, Corazon Aquino, grote hervormingen doorvoerde. De bezuinigingen en privatiseringen van overheidsdiensten hadden vooral op mensen in de lagere klassen kennelijk een desastreuze impact. Zij verloren hun schamele baantjes. Wat ik me wel herinner is dat ik destijd terugdacht aan de oprechte blijdschap van mijn jongere zelf en concludeerde dat ik naiëf was geweest. Zoveel maakte het klaarblijkelijk niet uit wie er aan de macht was. Ik geneerde me een klein beetje voor die naïviteit.

Nu, het is ruim 25 jaar later, zit ik met verbijstering te kijken naar de paginagrote foto in de Volkskrant. Het is het huis van zakenman Donald Trump. Over smaak valt te twisten, maar het is duidelijk wat dit huis moet uitstralen: deze persoon heeft geld, veel geld, heel veel geld. Marmer, glitter en goud. Griekse zuilen, kristallen kroonluchters en geelglimmende plafondlijsten. En het zou nog wel eens echt goud kunnen zijn ook, want deze man schijnt een vermogen te hebben van $3.700.000.000 ofwel 3,7 miljard dollar. Ruim 66.000 maal het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in zijn land. Bijna 176.000 maal het gemiddelde inkomen in de armste Amerikaanse staat, Mississippi. Ruim 1,2 miljoen maal het gemiddelde inkomen van de mensen op de Fillipijnen.

Het meest verbijsterende is nog dat de Amerikanen deze man niet met pek en veren het land uit gejaagd hebben, nee ze hebben hem verkozen tot de 45ste president van de Verenigde Staten. Mede gekozen, zo begrijp ik uit de eerste politieke commentaren op de verkiezingsuitslag, door de ‘poor white trash’ van de staten in het midden en zuiden van het land. Mensen die hun huis verloren in de crisis veroorzaakt door rijke bankieren, en hun banen kwijtraakten doordat ‘captains of industry’ zoals Trump de fabrieken verplaatsten naar de Filipijnen en omstreken. Zij verwachten nu dat Trump hun leven beter gaat maken.

Hoeveel paar schoenen zou Melania Trump hebben, vraag ik me af.
En wie is er nou eigenlijk naïef?