Minimalistisch versus Maximalistisch

schrijfster met typemachine


Hieronder een scene die ik geschreven heb, en die ik vervolgens in een minimalistische en een maximalistische stijl herschreven heb. Het betreft een oefening uit de cursus Ontwikkel je Eigen Stijl van de Schrijversacademie. Een fictieschrijver ben ik niet, werd me duidelijk tijdens deze opleiding. Dit soort oefeningen vond ik echter wel nuttig.


Oorsponkelijke fragment

Buiten gekomen besluit ze terug te lopen naar het station. Het is een mooie lentedag; nog wel wat fris, maar met een bemoedigend zonnetje. Het gesprek met professor De Vries was nuttig, maar roept ook veel nieuwe vragen op. En al wandelend is ze het beste in staat haar gedachten te ordenen. Een uurtje zal het hooguit zijn. Een grote, drukke kruising moet ze over om van de campus naar de Maas te komen. Lelijk en anoniem, het had in iedere stad kunnen liggen. Dan een klein stukje park en ineens ligt de rivier voor je. Kalm en wijds, zich niets aantrekkend van de kakafonie van menselijke bedrijvigheid: auto’s, schepen, fietsen, bruggen, hoge woonflats, bedrijfspanden, hier en daar een kraan die in dit Rotterdamse landschap nietig lijkt. Met stevige passen beent ze door. Zal ze Guido confronteren met wat ze net gehoord heeft? Of is dat niet verstandig?

Minimalistische variant

Ze zal teruglopen naar het station, besluit ze. Het is weliswaar fris, maar ook zonnig. Kan ze al wandelend mooi haar gedachten ordenen over het gesprek met professor De Vries. Slechts een kruispunt en een park scheiden de campus van de Nieuwe Maas. Kalm en wijds strekt die zich uit tussen de kakafonie van menselijke bedrijvigheid die Rotterdam kenmerkt. Met stevige passen beent ze door over het kadepad. Moet ze Guido nou wel of niet confronteren met wat ze net gehoord heeft?

Maximalistische variant

Buiten gekomen blijken er inmiddels aardig wat studenten te zitten op het terras van het campuscafé en de vele zitplekken die her en der verspreid over het terrein te vinden zijn. Annelies geeft ze geen ongelijk, het is een mooie lentedag; nog wel wat fris, maar met een bemoedigend zonnetje. Dat de zomer er aan komt, is vandaag voor het eerst overduidelijk. Ze heeft echter niet de rust om er bij te gaan zitten. Het gesprek met professor De Vries was nuttig, maar roept ook veel nieuwe vragen op. Wandelen naar het station, dat gaat ze doen, besluit ze terwijl ze een koffie bestelt om mee te nemen. Hooguit een uurtje zal het zijn. Al wandelend is ze het beste in staat haar gedachten te ordenen. Een grote, drukke kruising moet ze over om van de campus naar de Nieuwe Maas te komen. Driebaans in beide richtingen, plus nog een trambaan en fietspaden in beide richtingen aan iedere kant. Lelijk en anoniem, het had in iedere willekeurige grote stad kunnen liggen. Dan door de Oude Plantage, een klein parkje dat mede door zijn ligging weinig gebruikt wordt. En ineens ligt dan de rivier voor je, breed geworden in de ongeveer 900 kilometer die het water dan al afgelegd heeft vanaf Pouilly-en-Bassigny, het punt in Frankrijk waar zij ontspringt. Kalm en wijds is de rivier, zich niets aantrekkend van de omringende kakafonie van menselijke bedrijvigheid: auto’s, schepen, fietsen, bruggen, hoge woonflats, bedrijfspanden, hier en daar een kraan die in dit Rotterdamse landschap nietig lijkt. Even blijft ze staan om te kijken naar de schittering van de zon in het water. Dan begint ze met stevige passen de Rhijnspoorkade af te benen. Zal ze Guido confronteren met wat ze net gehoord heeft? Of is dat niet verstandig?

Deel je vragen / opmerkingen / ideeën!