Wellbeing, Freedom and Social Justice; The Capability Approach Re-examined

Boekbespreking

Recensie voor het Algemeen Nederlands Tijdschrijft voor de Wijsbegeerte (ANTW), januari 2019 nummer.

In mijn proefschrift reflecteerde ik op de toepassing van de capability benadering van Amartya Sen en Martha Nussbaum op technologie. Zo formuleer ik het meestal als iemand me ernaar vraagt, met de hoop dat de namen van Sen (als Nobelprijswinnaar in de economie) en Nussbaum (als vrij populaire publieksfilosoof) herkenning oproepen. Ook in de literatuur rondom deze benadering wordt regelmatig naar dit tweetal verwezen als de grondleggers ervan. In de afgelopen twee decennia is hun ‘kindje’ echter een geheel eigen leven gaan leiden; de benadering wordt veelvuldig gebruikt in discussies over welzijn, rechtvaardigheid en maatschappelijke vooruitgang. Zij wordt tegenwoordig onder meer in de filosofie, economie, politicologie, sociologie, ontwikkelingsstudies en onderwijskunde toegepast door vele wetenschappers, die er samen al honderdduizenden artikelen over hebben gepubliceerd. Blijven spreken van ‘de capability benadering van Sen en Nussbaum’ doet eigenlijk geen recht aan de diversiteit van het werk dat er op dit terrein gedaan wordt, noch aan de significante bijdragen die anderen hebben gemaakt aan de verdere ontwikkeling van de benadering.

wellbeing, freedom and social justice - recensie

Ingrid Robeyns (2017). Wellbeing, Freedom and Social Justice. The Capability Approach Re-Examined. Cambridge, UK: Open Book Publishers, 256 pp., € 22,99 voor een paperback of gratis te downloaden als pdf.

Een van de meest prominente stemmen in dit internationale discours is die van econoom en filosoof Ingrid Robeyns. Met haar boek Wellbeing, Freedom and Social Justice; The Capability Approach Re-Examined (2017) hoopt ze verschillende misverstanden uit de weg te ruimen die er – mede door communicatieproblemen tussen verschillende disciplines – in de loop der tijd over de capability benadering zijn ontstaan. Hoofddoel van het boek is echter om een overzichtelijke, interdisciplinaire introductie op de benadering te geven. Verbazingwekkend genoeg bestond een dergelijk boek nog niet.

Het boek An Introduction to the Human Development and Capability Approach: Freedom and Agency (2009) is een geredigeerde bundel die de coherentie en systematiek mist die Robeyns boek kenmerkt. Maar belangrijker nog, concludeer ik na het lezen van Robeyns’ boek, is dat dit eerst en vooral een boek over het paradigma van ‘human development’ is. Dit paradigma valt niet samen met de capability benadering, maar is er slechts een veel gebruikte uitwerking van.

Om dezelfde reden deed Nussbaums Creating Capabilities: The Human Development Approach (2013) de capability benadering volgens Robeyns ook geen recht: Nussbaum presenteert daarin haar eigen specifieke uitwerking alsof het de capability benadering betreft. Hoe invloedrijk haar werk ook is, dat is onterecht. Wat Nussbaum heeft ontwikkeld, is een specifieke capability theorie van rechtvaardigheid. Ik kom verderop nog op beide ‘concurrerende’ boeken terug.

Innovatief modulair systeem

Robeyns ziet haar boek als een verdere systematisering van de pogingen van Sen om de capability benadering neer te zetten als een generiek kader dat op vele manieren uitgewerkt en toegepast kan worden. Die generieke capability benadering heeft ze uitgewerkt in de vorm van een innovatief modulair systeem met verplichte en optionele ‘bouwblokken’ waarmee specifieke capability theorieën / toepassingen gemaakt kunnen worden. Maar het systeem is natuurlijk ook te gebruiken om bestaande theorieën / toepassingen onderling te vergelijken en om eventuele ‘gaten’ in hun uitwerking te dichten. Robeyns maakt een onderscheid tussen drie typen modules:

  • A-modules zijn niet-optionele kernonderdelen van de capability benadering. Twee voorbeelden zijn het maken van een onderscheid tussen middelen en doelen (module A4), en het principe van ieder mens als een doel op zichzelf (module A8).
  • B-modules zijn niet-optionele modules waarbinnen per module verschillende keuzes beschikbaar zijn. Een voorbeeld is intermenselijke diversiteit. Dat het belangrijk is om daarmee rekening mee te houden, is een kernstelling van de capability benadering (module B3). Maar aanhangers van de benadering kunnen zeer verschillend denken over welke diversiteitsfeiten bestaan danwel invloedrijk zijn. Voor Marxistische wetenschappers zal klasse bijvoorbeeld belangrijk zijn, terwijl andere mensen de capability benadering zullen toepassen zonder het belang van dit specifieke diversiteitsfeit te onderkennen.
  • C-modules, ten slotte, zijn contingente modules ofwel volledig optionele toevoegingen. Een voorbeeld zijn additionele ontologische en verklarende theorieën (module C1), die onder meer kunnen voortkomen uit de discipline waarbinnen men werkt. Een voorbeeld is een bepaalde visie op de menselijke natuur. Zo’n visie kan de uitwerking en toepassing van de capability benadering beïnvloeden, maar het is voor een aanhanger van de capability benadering niet noodzakelijk hier een visie op te hebben.

Het boek heeft een heldere structuur die zich zowel leent voor het lezen van het boek van kaft tot kaft, als voor scannen en selectief lezen van onderdelen. Na een korte inleiding in het eerste hoofdstuk, geeft het tweede hoofdstuk een opsomming en uitleg van de A-, B- en C-modules die er zijn. Het derde hoofdstuk verheldert de capability benadering verder door veelgestelde vragen en veelvoorkomende misverstanden te behandelen. Hier komt onder meer de vraag aan de orde of capabilities als vrijheden begrepen kunnen worden, en of de notie van collectieve capabilities zinnig is. Het vierde hoofdstuk behandelt een aantal kritiekpunten en zaken waarover nog wat meer discussie ofwel minder overeenstemming is binnen de literatuur over de capability benadering. Robeyns bespreek hier onder meer of de capability benadering te individualistisch is, en of het als een liberale opvatting gezien moet worden. Het boek sluit af met een korte, puntsgewijze reflectie op de toekomst van de benadering.

Specifieke uitwerkingen

Aan de hand van Robeyns’ modulaire visie is het goed te beargumenteren dat de eerdergenoemde geredigeerde bundel en het boek van Nussbaum niet de generieke capability benadering, maar slechts specifieke uitwerkingen presenteren; Zowel het human development paradigma als Nussbaums theorie van rechtvaardigheid, zo laat Robeyns zien, accepteren alle A-modules, maar maken vervolgens verschillende keuzes met betrekking tot de B- en C-modules. Zo zijn ze ieder met een heel ander doel ontwikkeld (module B1), en gaan ze anders om met de selectie van capabilities en functionings (module B2); Nussbaum biedt een lijst van tien capabilities die essentieel zouden zijn voor een menswaardig bestaan, terwijl het human development paradigma niet gecommiteerd is aan een enkele lijst, maar de selectie van relevante capabilities van de context laat afhangen.

Sens The Idea of Justice (2009) is daarentegen een boek dat niet alle A-modules accepteert, zo concludeert Robeyns. Hij is daarin namelijk niet bereid zich hard te maken voor de stelling dat capabilities en functionings de juiste evaluatieve ruimte vormen voor rechtvaardigheidsvraagstukken (module A5). Sen presenteert dit als slechts een suggestie die meegenomen kan worden in het publiek debat dat volgens hem over dit vraagstuk gevoerd moet worden, aangezien rechtvaardigheid uiteindelijk een prodecureel of democratisch concept zou zijn. Maar omdat Robeyns dit werk van Sen ook weer niet volledig buiten de literatuur over de capability benadering wil plaatsen, introduceert ze de mogelijkheid van hybride theorieën: theorieën die de noties van ‘functionings’ en ‘capabilities’ wel gebruiken (module A1), maar niet alle A-modules onderschrijven.

Een echte capability theorie/toepassing

Maar wat is nu eigenlijk het belang van dit alles? Robeyns bespreekt drie redenen waarom haar modulaire kader relevant zou zijn. Een daarvan stipte ik al aan in mijn inleiding, namelijk het verhelderen van hoe de publicaties van Sen en Nussbaum zich verhouden tot elkaar en tot de rest van de inmiddels zeer omvangrijke literatuur over deze benadering. Ten tweede kan het helpen om het risico van ‘inflatie’ tegen te gaan, waarbij van alles en nog wat maar onder de capability benadering geschaard wordt. Haar modulaire kader laat veel toe, maar stelt toch ook grenzen. Ten derde maakt het duidelijk dat er veel verschillende capability theorieën mogelijk zijn. Dat impliceert dat aanhangers van verschillende capability theorieën het met elkaar oneens kunnen zijn op bepaalde punten, zonder dat het hoeft te leiden tot onproductieve discussies over de vraag of de uitwerking van de ander wel een echte capability theorie/toepassing is.

Zo constateert Robeyns ergens in het boek dat de capability benadering een aantrekkelijk normatief kader is voor feministen, maar dat belang hechten aan gender geen noodzakelijke voorwaarde is voor een capability theorie / toepassing. En in een paper uit 2016 waarin ze een eerdere versie van haar modulaire systeem presenteerde, noemde ze al dat de meeste aanhangers van de benadering een centrale rol zien weggelegd voor de overheid bij het realiseren van capabilities, maar dat er geen a-priori reden is om te stellen dat dit niet aan de markt kan worden overgelaten. Hooguit ligt een neoliberale uitwerking minder voor de hand, lijkt mij, vanwege de nadruk die de benadering legt op wat mensen daadwerkelijk, realistisch in staat zijn te doen en te zijn in hun leven. Dat leidt er in het algemeen toe dat vele capability inputs, diversiteitsfeiten en ‘conversiefactoren’ als relevant worden gezien, inclusief uitdagingen waar de markt geen antwoord op lijkt te hebben – zoals sociale vooroordelen.

Zelf denk ik dat Robeyns’ modulaire kader zeer nuttig kan zijn voor ‘nieuwkomers’ op dit terrein. Er zijn inmiddels zo veel publicaties rondom de capability benadering, dat het risico van door de bomen het bos niet meer zien groot is. Afhankelijk van wat je ingang is tot deze literatuur, kan het een tijd duren voordat je door hebt wat de essentie is en waarover er wel en niet consensus bestaat. Verder zou het modulaire kader onderzoekers en beleidsmakers ook kunnen stimuleren om een groter aantal keuzes bij het invullen van de capability benadering expliciet te maken. Als iedereen dat zou doen volgens Robeyns’ standaardsystematiek, zou dit de discussie zeker vergemakkelijken.

Het boek zou dan ook verplichte literatuur moeten zijn voor onderzoekers die met de capability benadering bezig zijn, of overwegen ermee aan de slag te gaan. Voor studenten is het waarschijnlijk te zware kost als eerste inleiding op de capability benadering. Het heeft een heldere structuur en schrijfstijl, maar het is een hooggeconcentreerde bespreking van vele complexe concepten en debatten, en het bevat – niet verbazingwekkend gezien doel en opzet – geen case studies. Wat dat betreft zijn de in sectie twee besproken boeken toegankelijker.

Toegepaste ethiek

Is dit boek specifiek ook nuttig voor filosofen, vragen de lezers van het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor de Wijsbegeerte zich wellicht af. Wat is überhaupt de stand van zaken wat betreft de toepassing van de capability benadering in de filosofie? Robeyns merkt op dat het een ‘belangrijk alternatief’ is geworden in de niche-discussie over de juiste maatstaf voor verdelende rechtvaardigheid, maar dat er nog maar weinig werk is gedaan om de capability benadering een plaats te geven in ‘ethische theorieën binnen de systematische/analytische stroming van de filosofie’ (p.18).

Maar voor de toegepaste ethiek is dit zeker een belangrijk boek. Er is inmiddels heel wat literatuur over de toepassing van de capability benadering op onderwerpen zoals gezondheidszorg, technologie, duurzaamheid, onderwijs en mensen met een handicap. Het boek kan bijdragen aan een betere afstemming tussen de disciplines die betrokken zijn bij dit soort onderzoek.

Dan nog zal interdisciplinaire samenwerking een uitdaging blijven. Een van de dingen die ik waardeerde aan het boek, is dat Robeyns regelmatig voorbeelden geeft van de verschillen in connotaties en interpretaties van begrippen zoals vrijheid en intrinsieke waarde die er tussen disciplines bestaan. Ze is echter optimistisch dat dergelijke communicatieproblemen op te lossen zijn. In haar reflecties op de toekomst van de capability benadering in het laatste hoofdstuk gaat ze zelfs zo ver te suggereren dat de benadering ‘wel eens een zeer belangrijke rol zou kunnen spelen in de huidige zoektocht naar een waarlijk interdisciplinair conceptueel kader voor de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen’ (p.213, mijn vertaling).

 

Bibliografie